Synaptic Abyss

Unconnected thoughts, irregularly updated

Een reis naar de binnenlanden – Jürgen Snoerens INVOCATIE

Hoewel Nederland genoeg beoefenaars kent van het epische fantasygenre, is het werk dat hier verschijnt maar zelden van de conceptuele omvang, diepgang en – bij gebrek aan een beter woord – schwung, die de betere Engelstalige fantasy kenmerkt. Het is misschien wat makkelijk om dat te wijten aan de volkscultuur van een klein landje dat nu eenmaal de aangeboren schaal mist waarmee Amerikaanse schrijvers zijn opgegroeid, maar het is niet te ontkennen dat de eerste Nederlandse Steven Erikson of George R.R. Martin nog moet opstaan.

Jürgen Snoerens De demon van Felswyck: Invocatie is een dappere poging van zowel schrijver als uitgever om die lacune op te vullen. Opgezet als een verhaal in twee delen en gesitueerd in een ongewoon goed doordachte en uitgewerkte wereld, maakt het korte metten met alle vooroordelen over wat Nederlandse epische fantasy kan zijn.

Het verhaal begint simpel genoeg: met een dief, een achtervolging en een hint van magie. Maar al snel waaiert het uit in een complex web van intriges waaronder langzaam de contouren van een eeuwenoude strijd tussen menselijke en onmenselijke tegenstrevers zichtbaar worden. Dit is des te opmerkelijker omdat de actie zich voornamelijk afspeelt in één locatie: de oude stad Felswyck, gelegen op een eiland dat verdachte geografische overeenkomsten vertoont met Groot Brittannië. (Als we tenminste de kaarten mogen geloven, waarvan er een gulle drie in het boek aanwezig zijn.)

De beperking die dit suggereert is echter maar schijn, want Felswyck is door de auteur neergezet als een smeltkroes van culturen, elk met hun eigen historie, talen en eigenaardigheden. De relaties tussen die culturen, en de fricties die ze produceren, vormen een belangrijk voortstuwend element in de plot.

Bij zo’n weelde aan inventie bestaat snel het gevaar dat het verhaal overschaduwd raakt door de wereld waarin het zich afspeelt. Maar Snoeren is als schrijver bedreven genoeg om de achtergrond te houden waar hij hoort: op de achtergrond. Bovendien houdt hij de lezer bij de les door het wereldomspannende drama terug te brengen tot menselijke proporties: uiteindelijk is dit het verhaal van hoofdpersone Feri en haar medespelers.

Feri’s plaats in de plot is die van de onschuldige persoon van eenvoudige komaf met een bijzondere gave, voorbestemd tot grote daden: een vaak gebruikte en al te vaak misbruikte trope in de epische fantasy. Maar Snoeren kent de traditie goed genoeg om niet in de val van cliché te trappen. Zijn Feri is helemaal niet zo onschuldig, haar gave is wat onzeker, en ze is voorbestemd tot helemaal niets. Hoewel ook dat eerder is vertoond, doet Snoeren het hier trefzeker en met aplomb.

Een van Feri’s tegenspelers is Osser, een initieel wat onduidelijke figuur die zich gaandeweg ontwikkelt tot misschien wel het interessantste karakter. Zijn achtergrond maakt hem tot een ontheemde in zijn eigen cultuur, en het is fascinerend te zien hoe hij, opstandig, berekenend maar ook hartstochtelijk, toch zijn rol lijkt te vinden als die cultuur hem tegen wil en dank weer opslokt. Dat balanceren tussen afkomst en ambitie, en de dubbele loyaliteit die ermee gepaard gaat, geven aanleiding tot interne conflicten die door de auteur best nog wat breder aangezet hadden mogen worden.

Snoerens invloeden zijn herkenbaar. De epische breedte van een Brandon Sanderson krijgt hier en daar scherpe randjes waar duidelijk de nieuwere vreemdheid die we van China Miéville kennen debet aan is. Wie goed kijkt kan in Feri, onwaarschijnlijk genoeg, zelfs iets terugzien van Cayce Pollard uit William Gibsons Beeld voor beeld, met het verschil dat terwijl Cayce nooit weet of het patroon dat ze meent te ontwaren wel echt bestaat, er voor Feri geen twijfel mogelijk kan zijn.

In dit boek aan patronen geen gebrek, maar lang niet allemaal komen ze aan de oppervlakte. Hoewel dat zorgt voor een gelaagde en realistische wereld (ook in het echte leven is immers niet alles altijd simpel te duiden) kan het soms een uitdaging zijn om bij te benen wat er precies gaande is. Vooral tegen het einde van het boek vraagt Snoeren de nodige inspanning van zijn publiek. Niet overal is die inspanning even gerechtvaardigd, maar tegen die tijd heeft hij de lezer zodanig in de lotgevallen van zijn hoofdpersonen weten te verstrikken dat er geen ontsnapping mogelijk is: de menselijkheid van de personages, teruggeworpen op zichzelf in de meest extreme omstandigheden, dwingt tot verder lezen, en het verhaal marcheert dan ook meedogenloos naar zijn onafwendbare ontknoping. Een ontknoping die, zoals het hoort, vragen opwerpt die het verhaal wagenwijd opengooien voor het vervolg, dat op stapel staat voor 2017.

Een debuut is altijd een tweeslachtig ding. Aan de ene kant wil de auteur laten zien wat hij kan: het is het Hooggeëerd publiek, kijk mij eens! van de literatuur. En aan de andere kant is het juist het gebrek aan ervaring dat hem of haar kan verleiden te hoog te grijpen. Snoerens achtergrond als redacteur en analytisch veellezer heeft hem duidelijk geholpen in zijn poging om dit boek het beste te maken wat het kan zijn. Als het een probleem heeft, dan is dat er een van te veel willen in een te klein kader. Maar juist dat zorgt ervoor dat de uitheemsheid, de onthechting, het vreemde – maar ook de herkenbaarheid: het bloed, de stank en de modder van de echte wereld – uit zijn pagina’s komen opborrelen. Dit is een reis naar de binnenlanden van ‘s auteurs verbeelding. Als hij in het tweede deel van dit verhaal zijn discipline kan handhaven en versterken, dan is Nederland met dit boek een bijzondere fantasy-auteur rijker.

Jürgen Snoeren – De demon van Felswyck

More & Stranger

Now that there are apparently canals on Mars again, now that Pluto turns out to have a blue sky, now that crowdfunding is underway to shoot a titanium bullet with a digital payload at the moon, isn’t it time for fiction to think beyond these horizons?

Actually, fiction has done so since people put reed pens to clay tablets, of course. But there are two things fiction can’t do without: 1) a reader and 2) a writer. Fiction lives where these two meet. And when they meet, strange and unquantifiable things happen.

Strange Horizons is that interface. It’s a webzine of speculative fiction and poetry, reviews and articles, updated weekly. They provide podcasts of their stories, and they do occasional roundtables about a book, a film, or a current issue. And best of all, it’s free.

The first time I read a Strange Horizons story, I was amazed at the quality of the writing. I had never heard of the author, but the story was just damn good. I knew Strange Horizons had published authors that went on to become well-known names in the speculative field, but this was the kind of writing you would expect to find in one of the big professional print magazines. Indeed, stories from SH have won or been nominated for several of the big speculative fiction awards: Nebula, Tiptree, Hugo, World Fantasy, etc. Moreover, I found that the variety in the stories was astounding, especially the way in which tradionally under-represented perspectives were given a voice.

So how did they do it? I wondered. How could a free webzine attract this kind of talent? As a writer myself, of course my eye was immediately drawn to the Guidelines link in the menu bar, where I found out that they did actually pay professional rates. I decided to submit one of my own stories, Utrechtenaar, which subsequently appeared in two installments in June 2015.

So how do they do it? Everyone loves “free” content, but without commercial backing, economic reality catches up fast with even the most zealous of free publishers. And that, dear reader, is where you come in.

Every year, Strange Horizons has a fund drive to finance the following year. Almost all of their financial resources are devoted to compensating writers for their work, so everyone who donates can be sure their money goes to the right place. For 2016, they aim to raise $18,000, and everyone who donates Can! Win! Prizes! Many, many books, ARCs, and signed first editions of brilliant works by great names and small. The list of prizes is so long it’s scary, and donating just $10 will get you an eBook of Strange Horizons: The First Fifteen Years.

So if you like speculative fiction and have a few quid to spare, hop over to the fund drive page and drop something in the jar. Pluto will thank you.

World Fantasy Convention, San Diego 2011

Eind oktober werd in San Diego weer de World Fantasy Convention gehouden. Na lang beraad en diepgaand overleg met mijn portemonnee, waarbij er van beide kanten harde woorden vielen maar we uiteindelijk dichter tot elkaar zijn gekomen, besloot ik om deze conventie te bezoeken. Alleen al het weer zou in San Diego immers beter zijn dan de hele Nederlandse zomer bij elkaar.

De World Fantasy Convention is een jaarlijks terugkerende, Engelstalige conventie gericht op fantasyliteratuur en -kunst. De doelgroep is professionals op het gebied van schrijven, illustratie en uitgeven. Het grote verschil met andere grote conventies zoals de SF Worldcon en de Comic-Con is dat er geen fan-activiteiten zijn. Panels gaan over schrijfaangelegenheden, over boeken, over schrijvers, over trends in uitgeven, etc. Er zijn geen game-rooms, kostuums of cosplay, geen filmprogramma, geen grote Hollywoodnamen die met hun nieuwste SFX-spektakel komen leuren. In de dealerroom zijn vrijwel alleen maar boeken te krijgen — wat betekent: meer plankruimte dan de grootste boekwinkel in Nederland, volledig gericht op genreboeken.

Donderdag

Ik arriveerde ‘s middags in San Diego, na eerst een paar dagen in Seattle doorgebracht te hebben. Twee andere Nederlanders, Jürgen en Hajnal van Meulenhoff Boekerij, mijn eigen uitgever, waren al op woensdag aangekomen. Samen met Jetse de Vries (schrijver, redacteur, bourgondiër) vormden wij het Nederlandse contingent op de conventie.

Border Mexico USA

San Diego / Tijuana: grens tussen twee werelden

San Diego is na Los Angeles de grootste stad van Californië, en het heeft de hotels en resorts die bij die status horen. Het Town and Country resort is een uitgestrekt terrein met twee slaaptorens, een groot aantal hotelkamers in laagbouwcomplexen, niervormige zwembaden, peperdure Wi-Fi, vier bar-restaurants en een conferentiecentrum. Aangezien het hart van een conventie als deze zich meestal in de bar bevindt, was een veelgehoorde vraag dan ook: ‘Welke bar?’ Een vraag die zich in de loop van het weekend ontwikkelde tot serieuze klacht.

Het thema voor deze conventie was ‘Sailing the Seas of Imagination’, en de locatie leek erop uitgezocht te zijn. Het onoverzichtelijke terrein vergde het uiterste van ieders navigatiekunsten, en ik wist maar net op tijd de hal voor de registratie en de zaal voor de openingsceremonie te vinden, waar ik ook Hajnal en Jürgen trof.

De conventie werd geopend met het voorstellen van de eregasten. Dat waren:

  • Peter S. Beagle, bekend fantasy-auteur en scenarioschrijver
  • Jo Fletcher, voormalig hoofd van Gollancz, een grote Britse SFF-uitgever
  • Neil Gaiman, een veelbelovende jonge auteur waar niemand nog van gehoord had
  • Parke Godwin, auteur
  • Shawna McCarthy, hoofdredactrice van Realms of Fantasy
  • Ruth Sanderson, illustratrice

De spreekstalmeesteres was Connie Willis, in Nederland vooral bekend van het boek Zwarte Winter. Haar humor en scherpe tong maakten het een genot om naar haar te luisteren.

Na afloop van de opening liepen we samen met een Franse uitgever en twee Britse redacteuren naar Charlie’s (een van de bars) om wat te gaan drinken. Daar schoven ook wat schrijvers aan: Patrick Rothfuss, Scott Lynch en Elizabeth Bear. Met dat gezelschap stapten we later in een taxi om in downtown San Diego ergens wat te gaan eten. Het was een boeiende vertoning om vier uitgevers te zien vechten om de rekening. Na terugkeer hingen we nog wat rond in Trellises (een van de andere bars), waar die jongen van Gaiman ook was, met zijn vrouw Amanda Palmer, en waar we nog een leuk gesprek hadden met schrijver Brent Weeks en zijn vriendin. Kort daarop herinnerde de jetlag me aan het feit dat het eigenlijk al vroeg in de ochtend was, zodat ik te moe was om nog een gesprek aan te knopen met een grote Amerikaanse agent die vlak daarvoor naast me was komen zitten. Mijn kans om een boek aan hem te slijten dus verkeken. Tja.

Vrijdag

Na een Amerikaans ontbijt van voornamelijk cholesterol, koolhydraten en suiker, en een vlug bezoek aan de Fashion Valley Apple Store aan de overkant van de weg, was het eerste panel dat we bijwoonden er een over de rol van sprookjes in nieuwe literatuur. John Connolly en Graham Joyce wisten dit wat magere panel aardig leven in te blazen. Daarna begon er iets waar ik al direct mijn oog op had laten vallen: ‘Lovecraft and the Horrors of the Sea’, voornamelijk vanwege de aanwezigheid van Lovecraft-autoriteit en -biograaf S.T. Joshi, die vol zat met wetenswaardigheden over leven en werk van de schrijver.

Meestal vonden er ieder uur twee panels tegelijk plaats, terwijl elders ook nog twee tot vier auteurs voorlazen uit eigen werk, dus het was zinloos om te proberen overal bij te zijn. Maar we deden ons best. Na een klein half uur bij een ietwat saai panel over ‘het succesvolle buitenbeentje’ als thema in fantasy, verkasten we naar de zaal ernaast, waar een uiterst geeky panel bezig was over het gebruik van luchtschepen in Steampunk. Vijf autoriteiten op het gebied, waaronder onze eigen Jetse, spraken over alles wat er goed en fout was aan de manier waarop deze vervoermiddelen in de moderne literatuur gepresenteerd werden, waarbij alles (zoals altijd) weer uitkwam op: als de plot maar goed zit, kun je overal mee wegkomen.

Later die middag bezochten Hajnal en ik de ‘private conversation’ (voor een 500-koppig publiek) tussen Connie Willis en die Neil Gaiman. Daar kwamen we ook de Australische auteur Alison Goodman nog tegen, in Nederland voornamelijk bekend van Eon.

update: nu ook op YouTube…

‘s Avonds was er in de grote hal een gezamenlijke signeersessie, waaraan alle aanwezige auteurs konden meedoen. Aangezien mijn boeken vooralsnog alleen in het Nederlands leverbaar zijn, vond ik het weinig zinvol om daar ook te gaan zitten. Ik hoorde nadien wel de verhalen van een anderhalve uur wachttijd voor — wie had het kunnen raden — Neil Gaiman. Na afloop bezochten we nog wel de receptie van de grote Amerikaanse uitgever Tor, waar we ontdekten dat niet elk Mexicaans bier even drinkbaar is.

Zaterdag

Een panel dat echt zijn best deed om interessant te zijn, met een aanstekelijk enthousiaste Ellen Kushner als moderator, ging over de voort durende relevantie (of niet) van een oud (jaren ’70) essay van Ursula K. Le Guin, ‘From Elfland to Poughkeepsie’, waarin ze het belang van stijl en zorgvuldig, consistent taalgebruik in fantasy beargumenteert, om een secundaire wereld echt tot leven te brengen. De conclusie dat dat tegenwoordig nog net zo belangrijk is, was natuurlijk snel getrokken.

Daarna was er een aardig interview met Jo Fletcher, een zeer ervaren Britse redactrice en uitgeefster, die al vanaf het begin bij de World Fantasy Convention betrokken was.

Het klapstuk van de dag was echter het ‘Founders of Steampunk’ panel, waar K.W. Jeter, James Blaylock en Tim Powers ondervraagd werden door John Berlyne, over hoe Steampunk als literair genre is begonnen. Voor iemand zoals ik, die Jeter vooral kent van zijn donkere, nare dystopische SF-romans en zijn beklemmende horrorverhalen (al heb ik op Utopiales 2004 wel eens een paar woorden met hem gewisseld) was zijn joviale podiumpersoonlijkheid een aangename verrassing. Bovendien was het goed om te merken dat ik kennelijk niet de enige ben die altijd wat verbaasd is geweest over de inlijving van Powers’ Anubis Gates bij dat subgenre, aangezien de schrijver zelf het ook niet helemaal begreep. Daarnaast bleek hier ook weer wat het mooie van een conventie als deze is: je kunt bij zo’n panel aanwezig zijn zonder ook maar een enkel stel ‘goggles’ of koperen straalpistolen te zien. Voor belangstellenden staat het hele panel op YouTube:

Het daaropvolgende panel ‘The Lands of Islam’ moest ik helaas missen, maar het werd gevolgd door een panel over de invloed van de zee op het werk van William Hope Hodgson, met onder andere Greg Bear en Darrell Schweitzer, voormalig redacteur van het legendarische blad Weird Tales. Hodgson, wiens boeken The House on the Borderland (1908) en The Night Land (1912) me altijd gefascineerd hebben, was zeeman op de koopvaardij, en zijn ervaringen komen terug in zijn horrorverhalen. “No one, not even Lovecraft, could get such scary effects out of a tentacular thing” staat er, terecht, in het programmaboek.

Na een ingelaste whiskyproeverij in besloten kring, gevolgd door een diner van pizza en hamburgers, bezochten we de receptie voor de ietwat teleurstellende Art Show, waar geboden kon worden op de tentoongestelde werken. Diezelfde avond was er nog een British party, georganiseerd door het comité voor de World Fantasy Convention 2013, maar daar hield ik het ook snel voor gezien.

Zondag

Zondag begon met een panel over zeeslagen in fantasyliteratuur, waar de expertise (zoals vaak) erg ongelijk verdeeld was onder de deelnemers. Een luide Iraq-veteraan en luitenant in de Amerikaanse kustwacht die op het punt stond te debuteren met een magische militaire fantasyroman zat naast een redactrice van Gollancz, die weer naast iemand zat die assistant geweest was van Marion Zimmer Bradley. Het had zijn aardige momenten.

Dit werd gevolgd door een panel dat mij zelf aan het hart ging, namelijk hoe om te gaan met attitudes als racisme en seksisme die inherent zijn aan de periodes waarin je verhaal zich afspeelt. Voorbeeld bij uitstek was natuurlijk Steampunk, waar in de vaak beschreven Victoriaanse periode vrouwen geen rol van betekenis konden spelen, of waarin de verheerlijking van kolonialisme altijd op de loer ligt.

Om 1 uur was het dan tijd voor de afsluiter, het World Fantasy Awards Banquet. Aangezien de kwaliteit van het banket jaar op jaar nogal te wensen over schijnt te laten, en aangezien de toegangsprijs van 60 dollar (!) niet bij het conventielidmaatschap zat inbegrepen, liet ik dat aan me voorbij gaan, hoewel Jürgen en Hajnal een uitnodiging om bij Gollancz aan te schuiven natuurlijk niet mochten afslaan. In plaats daarvan gebruikte ik de tijd om een selectie te maken uit de book bag die iedere deelnemer gekregen had, een schoudertas van Amerikaanse proporties volgestouwd met presentexemplaren van de nieuwste boeken van allerhande uitgevers: een tas die ik, zo ik het al gewild had, met geen mogelijkheid op het vliegtuig had kunnen meekrijgen. Gelukkig had de organisatie voorzien in een boekenruiltafel, waarop ik ze bijna allemaal kon achterlaten. Voor slechts vier ervan had ik ruimte, waaronder de ‘Author-preferred Edition’ (wat dat dan ook mag betekenen) van American Gods door (alweer!) die meneer Gaiman, die ik nu toch maar eens moet gaan lezen, want ook zijn extra signeersessie op zondagochtend was afgeladen.

De deuren van de grote zaal werden om 2:30 weer opengegooid om ons arme sloebers alsnog binnen te laten voor het begin van de Awards-uitreiking. Die uitreiking was tevens de afsluitingsceremonie van de conventie. Hier was het ook weer Connie Willis die de zaak aan elkaar praatte. De resultaten van de Awards zijn hier te vinden, voor wie wil. Voor de echte die-hards is ook dit door iemand op YouTube gezet:

De speech van Connie Willis (vanaf ongeveer 19:15) is tamelijk hilarisch, maar de rest is goed te missen.

Na deze ceremonie was het snel afgelopen, aangezien veel mensen al direct naar het vliegveld vertrokken. Na nog een paar uur in ‘Old Town’ rondgelopen te hebben, een teleurstellend toeristische reproductie van het San Diego van anderhalve eeuw terug, zetten we ons nog één keer bij Charlie’s neer, waar een gestage stoet afscheid nemenden langs ons tafeltje trok.

Conclusie

Wat is nu het nut van het bijwonen van zo’n conventie? Heel duidelijk zichtbaar is dat ook de Amerikaanse genre-wereld klein en afgebakend is. De meeste mensen op World Fantasy Con lijken elkaar te kennen. De meeste van die mensen zien elkaar regelmatig op andere conventies. Een Nederlandse uitgever kent er een heleboel omdat ze er zaken mee doen, maar de meer succesvolle schrijvers hebben uitgevers over de hele wereld, en voor hen is Nederland maar een klein landje. Iemand als Neil Gaiman heeft persoonlijkheid genoeg om op te kijken van zijn signeerarbeid als iemand tegen hem zegt dat ze de Nederlandse uitgeefster van Good Omens is, maar niet alle schrijvers weten even goed met de druk van succes om te gaan. Ik heb persoonlijk een uitgever een internationaal succesvol auteur horen omschrijven als ‘asshole’ — nee, ik noem geen namen.

Als Nederlandse schrijver ga je hier niet naartoe om je boeken te verkopen. Ik denk dat contact leggen de belangrijkste functie is, initieel, al blijft het de vraag hoeveel agenten en uitgevers zich je gezicht herinneren als ze je pas een jaar later weer tegenkomen.

Volgend jaar is Toronto aan de beurt, het jaar daarop Brighton. We zullen zien.