Synaptic Abyss

Unconnected thoughts, irregularly updated

‘Doe niets wat ik zou doen’ – Paul Harland in Utrecht

Paul Harland woonde in Utrecht toen ik hem in 1988 voor het eerst ontmoette, op anderhalve kamer en een gedeelde keuken in een voormalige vrijmetselaarsloge op de Lange Jufferstraat, net achter studentenvereniging Unitas. Volgens een ongetwijfeld eerbiedwaardige traditie mochten mannelijke studenten daar na middernacht de blaas legen vanuit het raam op een bovenverdieping van hun sociëteit. Ik weet niet of hij dat spektakel ooit heeft aanschouwd, want hij hield zijn rolgordijnen meestal dicht, tegen wederzijdse bureninkijk: de Lange Jufferstraat was niet breed.

Ik ontmoette hem daar in mei van dat jaar, een paar maanden voordat ik uit zijn handen de trofee in ontvangst nam voor de prijs die vijftien jaar later zijn naam kreeg. Een week voor die eerste ontmoeting had hij me telefonisch uitgenodigd om bij de uitreiking aanwezig te zijn, en als voorproefje gevraagd of ik vast wilde kennismaken.

Op het zelfgeprinte naamplaatje naast zijn deurbel stond HARLAND TAAL EN TEKENSTUDIO. Mij stelde dat onmiddellijk gerust toen ik er aanbelde, al zorgde het blijkbaar wel eens voor onbestelbare post, voornamelijk van mensen die hem al kenden als John Paul Smit, voordat hij zijn pseudoniem serieus begon te hanteren.

Ik herinner me zijn verschijning in die tijd vooral als zwartgekleed, halflangharig en bebrild, met een gezicht vol acne dat hem, begreep ik pas veel later, onzekerder maakte dan hij zich wist voor te doen. Maar het aplomb waarmee hij me uitnodigde binnen te komen was vriendelijk en belangstellend, en mijn eigen onzekerheid over een ontmoeting met een ‘bekend Vanceiaans auteur’ (naar Jack Vance, de befaamde Amerikaanse SF-schrijver aan wiens exquise stijl Pauls werk in die dagen het meest deed denken) kleurt die herinnering ongetwijfeld nog steeds.

Het huis waar Paul Harland woonde in 1989.

Het huis waar Paul Harland woonde in 1989 (HUA 61519)

Het eerste wat ik zag toen ik binnenkwam was het grote blauwe wandpaneel geschilderd door Tais Teng, nonchalant tegen een muur geleund, want als verbeeldend schrijver had Paul natuurlijk een portaal naar vreemde werelden in de werkkamer. De tekstverwerker die er strategisch voor opgesteld stond (een stand-alone hardwaremodel van voordat iedereen Microsoft Word of zelfs WordPerfect had) leek klaar om alles vast te leggen wat er zich vanuit dat schilderij aan de schrijver manifesteerde. Maar het meest was ik onder de indruk van de muzikale apparatuur ernaast. De hoek stond vol synthesizers; een modulair Roland System-100M, een Moog Source en andere toetsenborden vochten om ruimte met kabels, luidsprekers en een op zijn kant gezet elektronisch orgel. Hoewel hij later in zijn eigen huis een aparte kamer als studio inrichtte, waar hij ook zelf synthesizers ontwierp en bouwde, kan ik me niet herinneren ooit gehoord te hebben wat hij met al die apparatuur deed: het ging hem meer om de elektronica dan om de muziek.

En aan de muur naast de deur hingen de foto’s van zijn toenmalige vlam, een knappe blonde Antinoüs die later met de noorderzon zou vertrekken; volgens Paul om in zijn eentje naar Nepal te liften. De foto’s had hij genomen ‘zodat ten minste iemand hem zich nog zou herinneren’.

(Had hij die foto’s zelf gemaakt? Eerlijk gezegd weet ik het niet meer. Na zijn vlegeljaren als fotograaf in Londen — met alle hectiek, het leven vanuit een bestelbus, het slapen achter de bar van een pub, het vrijdagavond optuigen en maandagochtend weer neerhalen van zijn hanekam — had hij al zijn camera’s verkocht, vertelde hij later, en alleen nog het goedkoopste compact-toestelletje bewaard.)

Maar zijn echte levenspartners waren zijn katten. In de tijd dat ik bij Paul Harland aan huis kwam, waar dat dan ook mocht zijn, was er altijd minstens één in de buurt. Hij hoefde maar ‘Hápje?’ te zeggen, en de rest kwam met puntgaaf geveinsde onverschilligheid aanwandelen, alle vastberadenheid waarmee ze zich voor bezoek verborgen hadden ten spijt.

Zelfgebouwde modulaire synthesizer

Zelfgebouwde modulaire synthesizer (Paul Harland)

Die eerste kennismaking was vooral aftastend. Ik kende hem van naam, hij kende een paar van mijn verhalen. Maar hoe was mijn feitenkennis, wilde hij weten? Deed ik wel genoeg research? Hoe goed was ik thuis in het genre? Hoe ver las ik buiten mijn grenzen? Uit de boekenkast, in mijn herinnering opgebouwd uit sintelsteen en losse planken, trok hij een pocket met een abstracte voorstelling op het omslag. ‘Lees de eerste bladzijde maar eens.’

En meteen viel ik door de mand. Van de schrijver, William Gibson, had ik nooit gehoord (de door hem verzonnen term cyberspace was toen nog geen gemeengoed) maar het proza had de informatiedichtheid van een computerprogramma en was tegelijkertijd elegant, spaarzaam en zo scherp als plaatstaal. In mijn onschuld merkte ik op dat het niets voor mij zou zijn.

Hij grinnikte en zei dat ik dan een probleem had. Later die avond fietste ik met een boekentas vol huiswerk terug naar mijn studentenkamer.

Vanaf toen kwam ik regelmatig bij hem over de vloer, maar hij zelden bij mij. We spraken over schrijven, over mytho-, techno- en antropologie, over nieuw werk en oud werk, over klassiekers en nieuwlichters. We deelden een enthousiaste belangstelling voor elektronische muziek. We luisterden naar Klaus Schulze, Dead Can Dance en Laurie Anderson. We keken naar Lawrence of Arabia, de Rocky Horror Picture Show en de BBC Christmas Lectures. We klaagden over het conservatieve beleid van de grote uitgevers en roddelden over andere schrijvers. Eigenlijk was het vooral hij die roddelde, terwijl ik ademloos toeluisterde; mijn netwerk bevatte in die tijd geen bespreekbare schrijvers. Van zijn dedain maakte hij zelden een geheim. De schrijver van Suske en Wiske was ‘De Abominabele Alliterator’. Een andere auteur was ‘heel intelligent, en hij weet precies hoe hij een verhaal moet schrijven, maar talent heeft hij niet’. Over weer iemand anders zei hij ‘voor mij is schrijven een hobby waarvoor alles moet wijken, voor haar is het een hobby die voor alles wijkt’. Maar vond hij daarentegen iets goeds, dan was hij met zijn complimenten precies zo uitbundig.

Hij vertelde met een wrang soort geamuseerdheid over de incompetentie die hij soms tegenkwam bij zijn werkgever, de NS, die hij steevast de Nederlandse Dwaalwegen noemde. Toch bleef hij er werken. Hij had wel eens geprobeerd aan de kost te komen als copywriter voor een advertentiebureau, maar nadat die er vandoor waren gegaan met een van zijn ingevingen (‘Woon op stand in Loon op Zand!’) hield hij dat ook voor gezien. We hadden regelmatig telefonisch contact, waarbij ‘Dag Paul, met Paul. Leuk dat ik bel!’ zijn traditionele opening was. We bezochten SF-café’s in Den Haag, en aten aan zijn keukentafel zelfgemaakte pindasoep waarvoor hij de kipfilet met een knutselschaar in stukken knipte.

Elegie

Het moet ergens in 1989 geweest zijn toen hij voorstelde om samen een verhaal te schrijven. Hoewel ik zelf maar een heel onscherp beeld had van hoe zoiets moest gaan, wist ik dat hij eerder met Tais Teng samengewerkt had, en dat hun proces in staat was om het beste van beide schrijvers tot uiting te brengen. Werken als ‘Buitendijks in straten van licht’, ‘De bleke schaduw van de vrouwe’, of ‘Rasclew en de kunst van het bloemhouwen’ zijn verhalen die geen van beiden in hun eentje geproduceerd zouden hebben.

Aanvankelijk gevleid door het voorstel, maakte ik me ook grote zorgen. Schrijven was iets persoonlijks, iets wat in het heilige der heiligen van je werkkamer plaatsvond. Pas vele jaren later, tijdens het werk aan mijn eerste roman, ontdekte ik dat schrijven overal kon waar je niet actief onwelkom was, maar toentertijd was het iets waar ik geen pottekijkers bij kon gebruiken, en wat ik al zeker niet deelde met een andere schrijver, die me territorium afhandig zou gaan maken en waarmee ik zou moeten ruziën over ieder woord.

Toch kwamen we op een avond bij elkaar om het plan door te spreken. Ik wierp hem een idee toe waar ik al een tijd mee rondliep, en hij luisterde aandachtig. En er gebeurde direct waar ik al bang voor was: hij gaf er een draai aan die ik zelf nooit verzonnen zou hebben. Daar ging mijn zorgvuldig voorbereide opzet, mijn hoofdpersoon en het stukje intro dat ik zelfs al geschreven had. Maar het proces van idee en weer-idee had me al snel te pakken, en al doende werkten we ons door een eerste plot en synopsis. We aten pindasoep en luisterden muziek. We gingen de stad in, want de Steenweg en het Vredenburg op koopavond waren ideaal, vond hij, voor ‘sensory input’, om de creativiteit te stimuleren.

Later — ik weet niet meer hoeveel later, maar waarschijnlijk weken — schilderden we verder aan de achtergrond. Alle personages moesten benoemd worden. We deelden de opvatting dat een naam een karakter schetste. Met een goede naam had je grip op een persoonlijkheid. Alleen mocht volgens hem die naam nog niet hardop uitgesproken worden; dat kon pas als het personage voldoende was uitgekristalliseerd. Het was een van zijn vele regels, zijn ‘trucs’ zoals hij ze noemde, net zoals zijn opvatting over het optimaal aantal woorden tussen twee witregels, of dat na zo’n witregel de lezer tijdelijk minder gevoelig was voor nieuwe info, of dat schrijven beter ging op een lege maag in verband met de zuurstoftoevoer naar de hersenen. Aan sommige van die regels hield hij altijd vast, met een dogmatische koppigheid die toentertijd nog niet in staat was om me te irriteren. Ik had zelf immers géén regels, kende geen trucs, en hoewel ik te eigenzinnig was om zijn regels te aanvaarden, had ik grote bewondering voor iemand die kennelijk zo ver was doorgedrongen in het proces, dat hij het had weten te vatten in een structuur die zich liet beschrijven langs simpele gidslijnen.

We verdeelden de te schrijven scenes en herschreven daarna elkaars werk. We waren wederzijds elkaars strengste critici en redacteuren. De uitwisseling moet plaatsgevonden hebben via WordPerfect-bestanden op floppy disks, want geen van beiden hadden we toen al Macintosh-computers, laat staan e-mail. Terugzoekend in mijn eigen archieven vind ik een bestand genaamd ELEGIE, een document uit 1990 dat ik allang niet meer in een tekstverwerker kan laden, maar dat volgens een hexdump wel de tekst bevat van ons eerste verhaal samen, ‘Elegie voor kleine helden’.

Ergens in die periode vatte hij het plan op om in Utrecht een maandelijks SF-café te beginnen, een bijeenkomst van lezers en schrijvers om te praten over (en te drinken op) het genre en het vak. Het café in Den Haag was altijd goed bezocht, maar was in Den Haag. Hij vond dat hij de tijd die de treinreis in beslag nam beter kon gebruiken, bovendien hoopte hij op diverser publiek. Het bleef in mijn herinnering een kleinschalige aangelegenheid: vier of vijf mensen aan een tafeltje in de (toenmalige) Dikke Dom op de Nobelstraat, de meeste waarvan hij persoonlijk had moeten optrommelen. Vincent van der Linden, redacteur bij A.W. Bruna & Zoon, die een paar jaar eerder mijn eerste korte verhaal gekocht had voor de jaarlijkse Ganymedes-bundel, woonde toen ook in Utrecht en was er minstens een keer bij. Ik meen Roelof Goudriaan, uitgever van Babel Publications, een andere.

Waarom en wanneer het uiteindelijk verwaterde weet ik niet meer. Misschien sloot de kroeg en kon geen van de alternatieven in de buurt zijn goedkeuring wegdragen, misschien werd de clientèle te studentikoos, of misschien was er gewoon niet voldoende animo. In ieder geval zou het zijn verhuizing uit Utrecht toch niet lang overleefd hebben.

babel_ragnarok

Ragnarok SF-Jaarboek 1994 (Babel Publications)

Babel Publications was een kleine uitgeverij opgericht door enthousiastelingen met een warm hart voor de speculatieve literatuur. In relatief kleine oplages, goedkoop in Oost-Europa gedrukt, konden zij wél de oorspronkelijk Nederlandstalige boeken uitbrengen waar de grote commerciëlen geen brood meer in zagen, en in die dagen vóór de moderne zelfpublicatie-rage betekende dat heel wat. Voor het korte verhaal was sinds het verscheiden van Bruna’s Ganymedes geen fatsoenlijk platform meer, en Babel nam dat stokje in 1993 over. Ons tweede samenwerkingsverhaal ‘De tanden van de stad’ verscheen dat jaar in hun eerste Ragnarok-bundel. Het was opnieuw gebaseerd op een idee van mij, en deze keer was Paul er helemaal mee aan de haal gegaan, tot op het punt dat ik in het uiteindelijke product niet veel van mijn eigen werk meer terugzag. Uitgaande van het oorspronkelijke idee schreef ik toen maar een nieuw verhaal, dat als ‘Een naam voor de pijn’ in dezelfde bundel opgenomen werd. In dat jaar verscheen ook Pauls bundel Remote Control, met een herdruk van ‘Elegie’.

babel_systems

Systems of Romance (Babel Publications)

Het was ook in die tijd dat de onvrede met de publicatiemogelijkheden in Nederland een kantelpunt bereikte. Paul schreef bijna net zo goed in het Engels als in het Nederlands, dus waarom zou hij zich beperken tot deze kleine, van nature bekrompen markt die sowieso al niet veel op had met de speculatieve genres? Hoe kon hij groeien in een land waar ‘gewoon’ niet alleen gek genoeg was, maar door de gevestigde literaire orde zelfs beschouwd leek te worden als het summum van betekenisvol schrijverschap?

Engeland en Amerika lonkten, en een van de eerste stappen in die richting was onze bundel Systems of Romance, die in 1995 verscheen bij Babel. Ik had eerst een andere titel voorgesteld, maar die werd door zowel hem als de uitgever afgewezen. Had ik toen geweten dat zijn titel ook die van een album van de Britse band Ultravox was, dan zou mijn verzet resoluter geweest zijn. Maar Paul was wel zo grootmoedig om mij ‘top billing’ op het omslag te gunnen.

In augustus van dat jaar werd de bundel gepresenteerd op de World Science Fiction Convention in Glasgow. ‘Guest of Honour’ dat jaar was een van ons beider helden, de Amerikaanse schrijver Samuel R. Delany, wiens eregast-speech geïntroduceerd werd door een wat nerveuze Paul Harland. Fanboy die ik was, wist ik hem over te halen om Delany een exemplaar van onze bundel in handen te drukken. Ik weet niet of hij hem gelezen heeft.

Systems bevatte vertalingen van een aantal van onze individueel geschreven verhalen, en opende met ‘The Teeth of the City’. Het sloot af met Pauls eigen verhaal ‘The Planets’, dat voor mij altijd een omslagpunt in zijn oeuvre is geweest. Voor die tijd waren zijn verhalen verbeeldingsvol, kleurrijk, menselijk, maar hermetisch in hun eigen fantasiewereld. Mijn eerste reactie na lezing van ‘The Planets’ was: ‘Eindelijk straatrumoer!’

Het was bedoeld als compliment, maar hij ontving het met een wrange grijns. Voor hem was er een andere zijde aan de medaille: als het straatrumoer in zijn verhalen opdook, zou dat betekenen dat hij het niet zelf meer belichaamde. Hij was vijfendertig, jong genoeg om nog een hele carrière voor zich te hebben, maar voor hem was dit een confrontatie met het feit dat hij ouder werd.

Paul was een liefhebber van Oscar Wilde, en een van zijn thema’s was ‘each man kills the thing he loves’. In verhalen als ‘De wintertuin’ en ‘Il est cinq heures’ is het verblindende liefde, of het verlangen ernaar, die de hoofdpersonen ertoe verleidt de verkeerde keuzes te maken. Hoewel veel van zijn personages niet zien, of niet willen zien, dat ze niet adequaat zijn toegerust om de problemen die ze naar zichzelf toetrekken op te lossen, blijven ze altijd menselijk in hun falen, en dat is wat zijn verhalen, ondanks hun wilde en soms bizarre verbeeldingsrijkheid, toegankelijk houdt.

Zo’n constatering is natuurlijk altijd riskant als de schrijver zelf een tragische dood is gestorven. Het is immers zo makkelijk, en als tijdverdrijf zo dankbaar, om parallellen te trekken met de keuzes die hij zelf beter niet had kunnen maken. Toch hoef je maar zijn wilde allegorie op het thema evolutie, ‘The Osenby Ritual’, te lezen om te zien dat hij zich niet liet begrenzen door menselijk falen. Of zijn Egyptische fantasy ‘Sky Woman Sky’, om te beseffen dat die liefde zichzelf in tijd van tegenslag, in dit geval tamelijk letterlijk, kan overstijgen.

Net zo groot is de verleiding om te speculeren over wat hij nog geschreven zou hebben. We willen graag weten dat een leven betekenis heeft, dat het afgerond is, verpakt in een mooi oeuvre, glanzend afgestrikt met een paar fraaie prijzen en bij voorkeur passend op één plank in de boekenkast. Maar terugkijkend op hoe ik Paul Harland kende, vermoed ik dat hij net zo lief op een dag het schrijven verruild zou hebben voor iets anders. Hij liet zich niet inperken door een enkele passie.

Verhuizing

Water tot ijs (Babel Publications)

Water tot ijs (Babel Publications)

Hoewel we elkaars werk enthousiast bleven bekritiseren, schreven we na ‘De tanden van de stad’ geen verhalen meer samen. Een directe oorzaak zou ik niet kunnen noemen, maar er zijn redenen genoeg te verzinnen. Hij had zijn handen vol aan zijn eerste roman, Water tot ijs, en richtte zich daarna steeds meer op de buitenlandse markt, net zoals ik later ook zou doen. Mijn literaire belangstelling begon te verschuiven, onze stijlen begonnen uiteen te lopen, en na zijn verhuizing naar Tiel werd ook de fysieke afstand een factor van betekenis.

De laatste keer dat ik hem zag was rond Kerst 2002. Ik leed onder een zojuist verbroken relatie, en hij was in de trein naar Utrecht gesprongen om morele steun te bieden, iets wat hij goed kon en waar hij altijd toe bereid was. Vermoedelijk heb ik hem later nog een keer telefonisch gesproken, maar ik weet allang niet meer waarover. Misschien over de roman waar hij net mee bezig was, naar ik me herinner een deels historisch tijdreisverhaal, deels spelend in de Tweede Wereldoorlog, deels gesitueerd in Sarajevo. Het was zijn laatste werk, onvoltooid en (voorzover ik weet) ongelezen.

Al die jaren later ben ik onze laatste woorden vergeten. Je legt niet de telefoon neer met het idee dat je de persoon aan de andere kant nooit meer zult spreken, en niemand wordt geboren als biograaf. Maar ik herinner me zijn favoriete afscheidsfrase: ‘Doe niets wat ik zou doen.’ Koren op de molens van hineininterpreten en liefhebbers van profetische waarschuwingen. Maar vooral Paul Harland ten voeten uit.

Eerder verschenen in De Utrechtse Boekhouder – tijdschrift voor Utrechts literair erfgoed (2018/2)

Harland Awards

Het laatste verhaal is gelezen, het laatste cijfer toegekend. De laatste onlogische plotwending is omgedraaid, het laatste platte karakter uitgediept, de laatste spelfout verbeterd. Tijd om me te beraden op de volgende stap.

Dit jaar was ik opnieuw jurylid van wat tegenwoordig de Harland Award Verhalenwedstrijd heet.  Een frisse nieuwe naam voor een wedstrijd die al loopt sinds 1976. Maar hoewel er in die tijd veel veranderd is, blijven sommige dingen altijd hetzelfde. Al zo lang ik mij kan herinneren zijn zowel jury als organisatie een groep onverbeterlijke optimisten. Ieder jaar weer horen we hoe het niveau ieder jaar stijgt, hoeveel talent er is, hoe spannend de finale wordt, en hoe trots de winnaars mogen zijn. Voor de recentere edities wordt er dan zelfs een heus gala georganiseerd, met veel glitter, champagne en zelffelicitatie, als een soort Boekenbal voor genreliteratuur (het begrip ‘minderwaardigheidscomplex’ is hier steevast de olifant in de huiskamer), om die overtuiging kracht bij te zetten.

Compagnie_theater

Compagnietheater (M.M.Minderhoud)

Over de strategische waarde van zo’n gala valt te debatteren. Een radio-DJ als high-profile jurylid trekt allicht de belangstelling, al is het de vraag of die soort belangstelling zinvol is voor het Nederlandse genre. Door het evenement ook te koppelen aan de verkiezing van een beste Engelstalige boek wordt de boodschap bijvoorbeeld al weer vertroebeld. En dat de jonge Harland Award Romanprijs nog nooit aan iemand anders is uitgereikt dan aan Auke Hulst is nu nog amusant. Maar als er volgend jaar opnieuw geen Nederlandse fantasy of hard-SF bekroond wordt zal zich de vraag opdringen wat die Romanprijs eigenlijk wil zijn: een onderscheiding voor de beste Nederlandstalige genreroman, of een lonkende flirt met de literaire mainstream.

Het al vaker gevoerde debat over de vraag of ‘literaire’ auteurs wel science-fiction kunnen schrijven vind ik hier overigens niet interessant: dat hangt af van de auteur, en van het werk in kwestie.

Maar een crossover-boek maakt het genre niet plotseling respectabel, en het gevaar is dat het succes (hoe je dat ook wilt definiëren) van het gala het werkelijke probleem aan het oog onttrekt. De zelfvalidatie van een moment in de schijnwerpers, een leuk geldbedrag en een ‘persmoment’ doet al snel vergeten dat de grootste waarde van deze verhalenwedstrijd ligt in de ongezouten, gedegen en hopelijk opbouwende kritiek van een groep ervaren juryleden.

Want die kritiek is hard nodig.

Verhalen

Laat ik er geen doekjes om winden. Ik wil de mantel der liefde eens even aan de wilgen hangen en de fluwelen handschoen de lezer voor de voeten werpen. De meeste verhalen die ik dit jaar te lezen kreeg voor de Harland Awards vond ik saai, achterhaald, en middelmatig of ronduit slecht geschreven. Ik stond opnieuw versteld van het feit dat veertig of inmiddels zelfs vijftig jaar SF de genretuin van de Lage Landen volstrekt onberoerd lijken te hebben gelaten.

Want dit is Nederlandstalige verbeeldingsliteratuur, en dat betekent dus: veel Engelse woorden, veel Engels klinkende namen en veel anglicismen. Maar helaas weinig verbeelding. De oogst van dit jaar bevatte twee verhalen met een plot geplukt uit een zekere Hollywood-film, de nodige pseudo-middeleeuwse clichéfantasy (door Paul Harland zelf ooit gekenschetst als fantasy ‘uit de handige doordrukstrip’), de nodige vertellingen rond droombeelden zonder enig doel of ontwikkeling, science-fictionverhalen die niet misstaan zouden hebben in een nummer van Amazing Stories uit de jaren vijftig. En meer. (Maar niet veel meer.)

Hoewel ik na jaren jureren voor deze prijs inmiddels wel wat gewend ben, blijf ook ik een onverbeterlijke optimist. Ik hoop iedere keer weer op ambitie, fantasie, ideeënrijkdom. Op interessante personages en kleurrijke werelden. Op verhalen die me iets nieuws vertellen.

Naast optimist ben ik ook realist, en ik weet dat veel inzenders hun uiterste best doen. Ik weet dat deze wedstrijd vooral het beginnende talent aantrekt, en dat talent de tijd moet krijgen om zich te ontwikkelen. Schrijven is iets wat je moet blijven doen als je beter wilt worden. Ik heb dus ook geen probleem met verhalen waarin het schort aan ambachtelijkheid. Iedereen is beginner geweest. Proeflezen, workshops en kritiekgroepjes zijn hier de aangewezen methoden.

Maar mijn indruk is ook dat er vaak op het laatste moment nog ‘even wat geschreven’ wordt voor de wedstrijd. Alsof het een soort loterij is: stuur gewoon maar iets in, en wie weet kom je wel door de voorselectie. Maar heel weinigen lijken echt de tijd te nemen om een verhaal door te denken, te researchen, het even te laten liggen, te herschrijven wanneer nodig. Dat is jammer, want zo kom je nooit voorbij het stadium van hobbyisme.

Mijn grootste probleem dit jaar, echter, is met de vlakheid, de ideeënarmoede en de grijsheid. (Eigenlijk de witheid, maar daarover later.) De meeste inzenders lijken geen benul te hebben wat moderne science-fiction/fantasy is. Steeds weer worden dezelfde ideeën, veelal afkomstig uit film of televisieseries, even vluchtig afgestoft, hier en daar van een strik voorzien, en gepresenteerd als het beste wat het Nederlands taalgebied te bieden heeft. Ook dat is jammer, want ik denk dat het Nederlands taalgebied wel beter kan. Als Laaglandse schrijvers zich wat meer zouden oriënteren op wat er in de landen om ons heen aan verbeeldingsliteratuur verschijnt — niet om klakkeloos te kopiëren, maar om een beeld te krijgen wat modern genre kan zijn — dan zouden we een veel vruchtbaarder voedingsbodem hebben voor onze eigen literatuur. Ik heb het eerder gezegd: het is tegenwoordig makkelijker dan ooit om in aanraking te komen met buitenlands werk. Jezelf daar als schrijver voor afsluiten is onvergeeflijk.

Het verbreden van de horizon zou bovendien kunnen helpen om van die vlakke eenvormigheid af te komen. De overwegende indruk die me namelijk van deze wedstrijd bijblijft, is dat Nederlandstalige genreliteratuur gaat over blanke heteroseksuele gezinnetjes met nul tot twee kinderen. In de hele shortlist telde ik precies één niet-blank personage, dat bovendien maar een minimale bijrol speelde. Dit gebrek aan diversiteit vind ik bijzonder pijnlijk, en lijkt me een ander symptoom van de beperkte blik die veel inzenders op het genreveld hebben. Gelukkig zijn we inmiddels af van de situatie waarin alle hoofdrollen waren voorbehouden aan mannen, maar naar deze vijfentwintig verhalen te oordelen zijn we er nog lang niet. Zou science-fiction niet juist het genre moeten zijn dat verder kijkt dan de Nederlandse neus lang is? Biedt fantasy niet juist de vrijheid om dingen te tonen die we niet als vaststaand en alledaags aannemen? ‘Escapisme’ is een veelgehoorde beschuldiging aan het adres van de verbeeldingsliteratuur. Dat niet iedereen zich geroepen voelt zich te ontworstelen aan dat keurslijf kan ik aanvaarden. Dat iedereen zich niet geroepen voelt vind ik te treurig voor woorden.

Kortom, er schort (nog steeds) een hoop aan de breedte, het ambitieniveau en de professionaliteit van de Laaglandse verbeeldingsliteratuur. Desondanks ben ik aangenaam verrast dat de prijs dit jaar naar een echte science-fictionvertelling is gegaan. Hoewel niet volmaakt of erg origineel, was dit tenminste een poging om een sense-of-wonder terug te brengen in het Nederlandstalige genreverhaal.

Als we dat nou maar eens vaker zagen.

Een reis naar de binnenlanden – Jürgen Snoerens INVOCATIE

Hoewel Nederland genoeg beoefenaars kent van het epische fantasygenre, is het werk dat hier verschijnt maar zelden van de conceptuele omvang, diepgang en – bij gebrek aan een beter woord – schwung, die de betere Engelstalige fantasy kenmerkt. Het is misschien wat makkelijk om dat te wijten aan de volkscultuur van een klein landje dat nu eenmaal de aangeboren schaal mist waarmee Amerikaanse schrijvers zijn opgegroeid, maar het is niet te ontkennen dat de eerste Nederlandse Steven Erikson of George R.R. Martin nog moet opstaan.

Jürgen Snoerens De demon van Felswyck: Invocatie is een dappere poging van zowel schrijver als uitgever om die lacune op te vullen. Opgezet als een verhaal in twee delen en gesitueerd in een ongewoon goed doordachte en uitgewerkte wereld, maakt het korte metten met alle vooroordelen over wat Nederlandse epische fantasy kan zijn.

Het verhaal begint simpel genoeg: met een dief, een achtervolging en een hint van magie. Maar al snel waaiert het uit in een complex web van intriges waaronder langzaam de contouren van een eeuwenoude strijd tussen menselijke en onmenselijke tegenstrevers zichtbaar worden. Dit is des te opmerkelijker omdat de actie zich voornamelijk afspeelt in één locatie: de oude stad Felswyck, gelegen op een eiland dat verdachte geografische overeenkomsten vertoont met Groot Brittannië. (Als we tenminste de kaarten mogen geloven, waarvan er een gulle drie in het boek aanwezig zijn.)

De beperking die dit suggereert is echter maar schijn, want Felswyck is door de auteur neergezet als een smeltkroes van culturen, elk met hun eigen historie, talen en eigenaardigheden. De relaties tussen die culturen, en de fricties die ze produceren, vormen een belangrijk voortstuwend element in de plot.

Bij zo’n weelde aan inventie bestaat snel het gevaar dat het verhaal overschaduwd raakt door de wereld waarin het zich afspeelt. Maar Snoeren is als schrijver bedreven genoeg om de achtergrond te houden waar hij hoort: op de achtergrond. Bovendien houdt hij de lezer bij de les door het wereldomspannende drama terug te brengen tot menselijke proporties: uiteindelijk is dit het verhaal van hoofdpersone Feri en haar medespelers.

Feri’s plaats in de plot is die van de onschuldige persoon van eenvoudige komaf met een bijzondere gave, voorbestemd tot grote daden: een vaak gebruikte en al te vaak misbruikte trope in de epische fantasy. Maar Snoeren kent de traditie goed genoeg om niet in de val van cliché te trappen. Zijn Feri is helemaal niet zo onschuldig, haar gave is wat onzeker, en ze is voorbestemd tot helemaal niets. Hoewel ook dat eerder is vertoond, doet Snoeren het hier trefzeker en met aplomb.

Een van Feri’s tegenspelers is Osser, een initieel wat onduidelijke figuur die zich gaandeweg ontwikkelt tot misschien wel het interessantste karakter. Zijn achtergrond maakt hem tot een ontheemde in zijn eigen cultuur, en het is fascinerend te zien hoe hij, opstandig, berekenend maar ook hartstochtelijk, toch zijn rol lijkt te vinden als die cultuur hem tegen wil en dank weer opslokt. Dat balanceren tussen afkomst en ambitie, en de dubbele loyaliteit die ermee gepaard gaat, geven aanleiding tot interne conflicten die door de auteur best nog wat breder aangezet hadden mogen worden.

Snoerens invloeden zijn herkenbaar. De epische breedte van een Brandon Sanderson krijgt hier en daar scherpe randjes waar duidelijk de nieuwere vreemdheid die we van China Miéville kennen debet aan is. Wie goed kijkt kan in Feri, onwaarschijnlijk genoeg, zelfs iets terugzien van Cayce Pollard uit William Gibsons Beeld voor beeld, met het verschil dat terwijl Cayce nooit weet of het patroon dat ze meent te ontwaren wel echt bestaat, er voor Feri geen twijfel mogelijk kan zijn.

In dit boek aan patronen geen gebrek, maar lang niet allemaal komen ze aan de oppervlakte. Hoewel dat zorgt voor een gelaagde en realistische wereld (ook in het echte leven is immers niet alles altijd simpel te duiden) kan het soms een uitdaging zijn om bij te benen wat er precies gaande is. Vooral tegen het einde van het boek vraagt Snoeren de nodige inspanning van zijn publiek. Niet overal is die inspanning even gerechtvaardigd, maar tegen die tijd heeft hij de lezer zodanig in de lotgevallen van zijn hoofdpersonen weten te verstrikken dat er geen ontsnapping mogelijk is: de menselijkheid van de personages, teruggeworpen op zichzelf in de meest extreme omstandigheden, dwingt tot verder lezen, en het verhaal marcheert dan ook meedogenloos naar zijn onafwendbare ontknoping. Een ontknoping die, zoals het hoort, vragen opwerpt die het verhaal wagenwijd opengooien voor het vervolg, dat op stapel staat voor 2017.

Een debuut is altijd een tweeslachtig ding. Aan de ene kant wil de auteur laten zien wat hij kan: het is het Hooggeëerd publiek, kijk mij eens! van de literatuur. En aan de andere kant is het juist het gebrek aan ervaring dat hem of haar kan verleiden te hoog te grijpen. Snoerens achtergrond als redacteur en analytisch veellezer heeft hem duidelijk geholpen in zijn poging om dit boek het beste te maken wat het kan zijn. Als het een probleem heeft, dan is dat er een van te veel willen in een te klein kader. Maar juist dat zorgt ervoor dat de uitheemsheid, de onthechting, het vreemde – maar ook de herkenbaarheid: het bloed, de stank en de modder van de echte wereld – uit zijn pagina’s komen opborrelen. Dit is een reis naar de binnenlanden van ‘s auteurs verbeelding. Als hij in het tweede deel van dit verhaal zijn discipline kan handhaven en versterken, dan is Nederland met dit boek een bijzondere fantasy-auteur rijker.

Jürgen Snoeren – De demon van Felswyck

More & Stranger

Now that there are apparently canals on Mars again, now that Pluto turns out to have a blue sky, now that crowdfunding is underway to shoot a titanium bullet with a digital payload at the moon, isn’t it time for fiction to think beyond these horizons?

Actually, fiction has done so since people put reed pens to clay tablets, of course. But there are two things fiction can’t do without: 1) a reader and 2) a writer. Fiction lives where these two meet. And when they meet, strange and unquantifiable things happen.

Strange Horizons is that interface. It’s a webzine of speculative fiction and poetry, reviews and articles, updated weekly. They provide podcasts of their stories, and they do occasional roundtables about a book, a film, or a current issue. And best of all, it’s free.

The first time I read a Strange Horizons story, I was amazed at the quality of the writing. I had never heard of the author, but the story was just damn good. I knew Strange Horizons had published authors that went on to become well-known names in the speculative field, but this was the kind of writing you would expect to find in one of the big professional print magazines. Indeed, stories from SH have won or been nominated for several of the big speculative fiction awards: Nebula, Tiptree, Hugo, World Fantasy, etc. Moreover, I found that the variety in the stories was astounding, especially the way in which tradionally under-represented perspectives were given a voice.

So how did they do it? I wondered. How could a free webzine attract this kind of talent? As a writer myself, of course my eye was immediately drawn to the Guidelines link in the menu bar, where I found out that they did actually pay professional rates. I decided to submit one of my own stories, Utrechtenaar, which subsequently appeared in two installments in June 2015.

So how do they do it? Everyone loves “free” content, but without commercial backing, economic reality catches up fast with even the most zealous of free publishers. And that, dear reader, is where you come in.

Every year, Strange Horizons has a fund drive to finance the following year. Almost all of their financial resources are devoted to compensating writers for their work, so everyone who donates can be sure their money goes to the right place. For 2016, they aim to raise $18,000, and everyone who donates Can! Win! Prizes! Many, many books, ARCs, and signed first editions of brilliant works by great names and small. The list of prizes is so long it’s scary, and donating just $10 will get you an eBook of Strange Horizons: The First Fifteen Years.

So if you like speculative fiction and have a few quid to spare, hop over to the fund drive page and drop something in the jar. Pluto will thank you.

World Fantasy Convention, San Diego 2011

Eind oktober werd in San Diego weer de World Fantasy Convention gehouden. Na lang beraad en diepgaand overleg met mijn portemonnee, waarbij er van beide kanten harde woorden vielen maar we uiteindelijk dichter tot elkaar zijn gekomen, besloot ik om deze conventie te bezoeken. Alleen al het weer zou in San Diego immers beter zijn dan de hele Nederlandse zomer bij elkaar.

De World Fantasy Convention is een jaarlijks terugkerende, Engelstalige conventie gericht op fantasyliteratuur en -kunst. De doelgroep is professionals op het gebied van schrijven, illustratie en uitgeven. Het grote verschil met andere grote conventies zoals de SF Worldcon en de Comic-Con is dat er geen fan-activiteiten zijn. Panels gaan over schrijfaangelegenheden, over boeken, over schrijvers, over trends in uitgeven, etc. Er zijn geen game-rooms, kostuums of cosplay, geen filmprogramma, geen grote Hollywoodnamen die met hun nieuwste SFX-spektakel komen leuren. In de dealerroom zijn vrijwel alleen maar boeken te krijgen — wat betekent: meer plankruimte dan de grootste boekwinkel in Nederland, volledig gericht op genreboeken.

Donderdag

Ik arriveerde ‘s middags in San Diego, na eerst een paar dagen in Seattle doorgebracht te hebben. Twee andere Nederlanders, Jürgen en Hajnal van Meulenhoff Boekerij, mijn eigen uitgever, waren al op woensdag aangekomen. Samen met Jetse de Vries (schrijver, redacteur, bourgondiër) vormden wij het Nederlandse contingent op de conventie.

Border Mexico USA

San Diego / Tijuana: grens tussen twee werelden

San Diego is na Los Angeles de grootste stad van Californië, en het heeft de hotels en resorts die bij die status horen. Het Town and Country resort is een uitgestrekt terrein met twee slaaptorens, een groot aantal hotelkamers in laagbouwcomplexen, niervormige zwembaden, peperdure Wi-Fi, vier bar-restaurants en een conferentiecentrum. Aangezien het hart van een conventie als deze zich meestal in de bar bevindt, was een veelgehoorde vraag dan ook: ‘Welke bar?’ Een vraag die zich in de loop van het weekend ontwikkelde tot serieuze klacht.

Het thema voor deze conventie was ‘Sailing the Seas of Imagination’, en de locatie leek erop uitgezocht te zijn. Het onoverzichtelijke terrein vergde het uiterste van ieders navigatiekunsten, en ik wist maar net op tijd de hal voor de registratie en de zaal voor de openingsceremonie te vinden, waar ik ook Hajnal en Jürgen trof.

De conventie werd geopend met het voorstellen van de eregasten. Dat waren:

  • Peter S. Beagle, bekend fantasy-auteur en scenarioschrijver
  • Jo Fletcher, voormalig hoofd van Gollancz, een grote Britse SFF-uitgever
  • Neil Gaiman, een veelbelovende jonge auteur waar niemand nog van gehoord had
  • Parke Godwin, auteur
  • Shawna McCarthy, hoofdredactrice van Realms of Fantasy
  • Ruth Sanderson, illustratrice

De spreekstalmeesteres was Connie Willis, in Nederland vooral bekend van het boek Zwarte Winter. Haar humor en scherpe tong maakten het een genot om naar haar te luisteren.

Na afloop van de opening liepen we samen met een Franse uitgever en twee Britse redacteuren naar Charlie’s (een van de bars) om wat te gaan drinken. Daar schoven ook wat schrijvers aan: Patrick Rothfuss, Scott Lynch en Elizabeth Bear. Met dat gezelschap stapten we later in een taxi om in downtown San Diego ergens wat te gaan eten. Het was een boeiende vertoning om vier uitgevers te zien vechten om de rekening. Na terugkeer hingen we nog wat rond in Trellises (een van de andere bars), waar die jongen van Gaiman ook was, met zijn vrouw Amanda Palmer, en waar we nog een leuk gesprek hadden met schrijver Brent Weeks en zijn vriendin. Kort daarop herinnerde de jetlag me aan het feit dat het eigenlijk al vroeg in de ochtend was, zodat ik te moe was om nog een gesprek aan te knopen met een grote Amerikaanse agent die vlak daarvoor naast me was komen zitten. Mijn kans om een boek aan hem te slijten dus verkeken. Tja.

Vrijdag

Na een Amerikaans ontbijt van voornamelijk cholesterol, koolhydraten en suiker, en een vlug bezoek aan de Fashion Valley Apple Store aan de overkant van de weg, was het eerste panel dat we bijwoonden er een over de rol van sprookjes in nieuwe literatuur. John Connolly en Graham Joyce wisten dit wat magere panel aardig leven in te blazen. Daarna begon er iets waar ik al direct mijn oog op had laten vallen: ‘Lovecraft and the Horrors of the Sea’, voornamelijk vanwege de aanwezigheid van Lovecraft-autoriteit en -biograaf S.T. Joshi, die vol zat met wetenswaardigheden over leven en werk van de schrijver.

Meestal vonden er ieder uur twee panels tegelijk plaats, terwijl elders ook nog twee tot vier auteurs voorlazen uit eigen werk, dus het was zinloos om te proberen overal bij te zijn. Maar we deden ons best. Na een klein half uur bij een ietwat saai panel over ‘het succesvolle buitenbeentje’ als thema in fantasy, verkasten we naar de zaal ernaast, waar een uiterst geeky panel bezig was over het gebruik van luchtschepen in Steampunk. Vijf autoriteiten op het gebied, waaronder onze eigen Jetse, spraken over alles wat er goed en fout was aan de manier waarop deze vervoermiddelen in de moderne literatuur gepresenteerd werden, waarbij alles (zoals altijd) weer uitkwam op: als de plot maar goed zit, kun je overal mee wegkomen.

Later die middag bezochten Hajnal en ik de ‘private conversation’ (voor een 500-koppig publiek) tussen Connie Willis en die Neil Gaiman. Daar kwamen we ook de Australische auteur Alison Goodman nog tegen, in Nederland voornamelijk bekend van Eon.

update: nu ook op YouTube…

‘s Avonds was er in de grote hal een gezamenlijke signeersessie, waaraan alle aanwezige auteurs konden meedoen. Aangezien mijn boeken vooralsnog alleen in het Nederlands leverbaar zijn, vond ik het weinig zinvol om daar ook te gaan zitten. Ik hoorde nadien wel de verhalen van een anderhalve uur wachttijd voor — wie had het kunnen raden — Neil Gaiman. Na afloop bezochten we nog wel de receptie van de grote Amerikaanse uitgever Tor, waar we ontdekten dat niet elk Mexicaans bier even drinkbaar is.

Zaterdag

Een panel dat echt zijn best deed om interessant te zijn, met een aanstekelijk enthousiaste Ellen Kushner als moderator, ging over de voort durende relevantie (of niet) van een oud (jaren ’70) essay van Ursula K. Le Guin, ‘From Elfland to Poughkeepsie’, waarin ze het belang van stijl en zorgvuldig, consistent taalgebruik in fantasy beargumenteert, om een secundaire wereld echt tot leven te brengen. De conclusie dat dat tegenwoordig nog net zo belangrijk is, was natuurlijk snel getrokken.

Daarna was er een aardig interview met Jo Fletcher, een zeer ervaren Britse redactrice en uitgeefster, die al vanaf het begin bij de World Fantasy Convention betrokken was.

Het klapstuk van de dag was echter het ‘Founders of Steampunk’ panel, waar K.W. Jeter, James Blaylock en Tim Powers ondervraagd werden door John Berlyne, over hoe Steampunk als literair genre is begonnen. Voor iemand zoals ik, die Jeter vooral kent van zijn donkere, nare dystopische SF-romans en zijn beklemmende horrorverhalen (al heb ik op Utopiales 2004 wel eens een paar woorden met hem gewisseld) was zijn joviale podiumpersoonlijkheid een aangename verrassing. Bovendien was het goed om te merken dat ik kennelijk niet de enige ben die altijd wat verbaasd is geweest over de inlijving van Powers’ Anubis Gates bij dat subgenre, aangezien de schrijver zelf het ook niet helemaal begreep. Daarnaast bleek hier ook weer wat het mooie van een conventie als deze is: je kunt bij zo’n panel aanwezig zijn zonder ook maar een enkel stel ‘goggles’ of koperen straalpistolen te zien. Voor belangstellenden staat het hele panel op YouTube:

Het daaropvolgende panel ‘The Lands of Islam’ moest ik helaas missen, maar het werd gevolgd door een panel over de invloed van de zee op het werk van William Hope Hodgson, met onder andere Greg Bear en Darrell Schweitzer, voormalig redacteur van het legendarische blad Weird Tales. Hodgson, wiens boeken The House on the Borderland (1908) en The Night Land (1912) me altijd gefascineerd hebben, was zeeman op de koopvaardij, en zijn ervaringen komen terug in zijn horrorverhalen. “No one, not even Lovecraft, could get such scary effects out of a tentacular thing” staat er, terecht, in het programmaboek.

Na een ingelaste whiskyproeverij in besloten kring, gevolgd door een diner van pizza en hamburgers, bezochten we de receptie voor de ietwat teleurstellende Art Show, waar geboden kon worden op de tentoongestelde werken. Diezelfde avond was er nog een British party, georganiseerd door het comité voor de World Fantasy Convention 2013, maar daar hield ik het ook snel voor gezien.

Zondag

Zondag begon met een panel over zeeslagen in fantasyliteratuur, waar de expertise (zoals vaak) erg ongelijk verdeeld was onder de deelnemers. Een luide Iraq-veteraan en luitenant in de Amerikaanse kustwacht die op het punt stond te debuteren met een magische militaire fantasyroman zat naast een redactrice van Gollancz, die weer naast iemand zat die assistant geweest was van Marion Zimmer Bradley. Het had zijn aardige momenten.

Dit werd gevolgd door een panel dat mij zelf aan het hart ging, namelijk hoe om te gaan met attitudes als racisme en seksisme die inherent zijn aan de periodes waarin je verhaal zich afspeelt. Voorbeeld bij uitstek was natuurlijk Steampunk, waar in de vaak beschreven Victoriaanse periode vrouwen geen rol van betekenis konden spelen, of waarin de verheerlijking van kolonialisme altijd op de loer ligt.

Om 1 uur was het dan tijd voor de afsluiter, het World Fantasy Awards Banquet. Aangezien de kwaliteit van het banket jaar op jaar nogal te wensen over schijnt te laten, en aangezien de toegangsprijs van 60 dollar (!) niet bij het conventielidmaatschap zat inbegrepen, liet ik dat aan me voorbij gaan, hoewel Jürgen en Hajnal een uitnodiging om bij Gollancz aan te schuiven natuurlijk niet mochten afslaan. In plaats daarvan gebruikte ik de tijd om een selectie te maken uit de book bag die iedere deelnemer gekregen had, een schoudertas van Amerikaanse proporties volgestouwd met presentexemplaren van de nieuwste boeken van allerhande uitgevers: een tas die ik, zo ik het al gewild had, met geen mogelijkheid op het vliegtuig had kunnen meekrijgen. Gelukkig had de organisatie voorzien in een boekenruiltafel, waarop ik ze bijna allemaal kon achterlaten. Voor slechts vier ervan had ik ruimte, waaronder de ‘Author-preferred Edition’ (wat dat dan ook mag betekenen) van American Gods door (alweer!) die meneer Gaiman, die ik nu toch maar eens moet gaan lezen, want ook zijn extra signeersessie op zondagochtend was afgeladen.

De deuren van de grote zaal werden om 2:30 weer opengegooid om ons arme sloebers alsnog binnen te laten voor het begin van de Awards-uitreiking. Die uitreiking was tevens de afsluitingsceremonie van de conventie. Hier was het ook weer Connie Willis die de zaak aan elkaar praatte. De resultaten van de Awards zijn hier te vinden, voor wie wil. Voor de echte die-hards is ook dit door iemand op YouTube gezet:

De speech van Connie Willis (vanaf ongeveer 19:15) is tamelijk hilarisch, maar de rest is goed te missen.

Na deze ceremonie was het snel afgelopen, aangezien veel mensen al direct naar het vliegveld vertrokken. Na nog een paar uur in ‘Old Town’ rondgelopen te hebben, een teleurstellend toeristische reproductie van het San Diego van anderhalve eeuw terug, zetten we ons nog één keer bij Charlie’s neer, waar een gestage stoet afscheid nemenden langs ons tafeltje trok.

Conclusie

Wat is nu het nut van het bijwonen van zo’n conventie? Heel duidelijk zichtbaar is dat ook de Amerikaanse genre-wereld klein en afgebakend is. De meeste mensen op World Fantasy Con lijken elkaar te kennen. De meeste van die mensen zien elkaar regelmatig op andere conventies. Een Nederlandse uitgever kent er een heleboel omdat ze er zaken mee doen, maar de meer succesvolle schrijvers hebben uitgevers over de hele wereld, en voor hen is Nederland maar een klein landje. Iemand als Neil Gaiman heeft persoonlijkheid genoeg om op te kijken van zijn signeerarbeid als iemand tegen hem zegt dat ze de Nederlandse uitgeefster van Good Omens is, maar niet alle schrijvers weten even goed met de druk van succes om te gaan. Ik heb persoonlijk een uitgever een internationaal succesvol auteur horen omschrijven als ‘asshole’ — nee, ik noem geen namen.

Als Nederlandse schrijver ga je hier niet naartoe om je boeken te verkopen. Ik denk dat contact leggen de belangrijkste functie is, initieel, al blijft het de vraag hoeveel agenten en uitgevers zich je gezicht herinneren als ze je pas een jaar later weer tegenkomen.

Volgend jaar is Toronto aan de beurt, het jaar daarop Brighton. We zullen zien.