Harland Awards

Het laatste verhaal is gelezen, het laatste cijfer toegekend. De laatste onlogische plotwending is omgedraaid, het laatste platte karakter uitgediept, de laatste spelfout verbeterd. Tijd om me te beraden op de volgende stap.

Dit jaar was ik opnieuw jurylid van wat tegenwoordig de Harland Award Verhalenwedstrijd heet.  Een frisse nieuwe naam voor een wedstrijd die al loopt sinds 1976. Maar hoewel er in die tijd veel veranderd is, blijven sommige dingen altijd hetzelfde. Al zo lang ik mij kan herinneren zijn zowel jury als organisatie een groep onverbeterlijke optimisten. Ieder jaar weer horen we hoe het niveau ieder jaar stijgt, hoeveel talent er is, hoe spannend de finale wordt, en hoe trots de winnaars mogen zijn. Voor de recentere edities wordt er dan zelfs een heus gala georganiseerd, met veel glitter, champagne en zelffelicitatie, als een soort Boekenbal voor genreliteratuur (het begrip ‘minderwaardigheidscomplex’ is hier steevast de olifant in de huiskamer), om die overtuiging kracht bij te zetten.

Compagnie_theater

Compagnietheater (M.M.Minderhoud)

Over de strategische waarde van zo’n gala valt te debatteren. Een radio-DJ als high-profile jurylid trekt allicht de belangstelling, al is het de vraag of die soort belangstelling zinvol is voor het Nederlandse genre. Door het evenement ook te koppelen aan de verkiezing van een beste Engelstalige boek wordt de boodschap bijvoorbeeld al weer vertroebeld. En dat de jonge Harland Award Romanprijs nog nooit aan iemand anders is uitgereikt dan aan Auke Hulst is nu nog amusant. Maar als er volgend jaar opnieuw geen Nederlandse fantasy of hard-SF bekroond wordt zal zich de vraag opdringen wat die Romanprijs eigenlijk wil zijn: een onderscheiding voor de beste Nederlandstalige genreroman, of een lonkende flirt met de literaire mainstream.

Het al vaker gevoerde debat over de vraag of ‘literaire’ auteurs wel science-fiction kunnen schrijven vind ik hier overigens niet interessant: dat hangt af van de auteur, en van het werk in kwestie.

Maar een crossover-boek maakt het genre niet plotseling respectabel, en het gevaar is dat het succes (hoe je dat ook wilt definiëren) van het gala het werkelijke probleem aan het oog onttrekt. De zelfvalidatie van een moment in de schijnwerpers, een leuk geldbedrag en een ‘persmoment’ doet al snel vergeten dat de grootste waarde van deze verhalenwedstrijd ligt in de ongezouten, gedegen en hopelijk opbouwende kritiek van een groep ervaren juryleden.

Want die kritiek is hard nodig.

Verhalen

Laat ik er geen doekjes om winden. Ik wil de mantel der liefde eens even aan de wilgen hangen en de fluwelen handschoen de lezer voor de voeten werpen. De meeste verhalen die ik dit jaar te lezen kreeg voor de Harland Awards vond ik saai, achterhaald, en middelmatig of ronduit slecht geschreven. Ik stond opnieuw versteld van het feit dat veertig of inmiddels zelfs vijftig jaar SF de genretuin van de Lage Landen volstrekt onberoerd lijken te hebben gelaten.

Want dit is Nederlandstalige verbeeldingsliteratuur, en dat betekent dus: veel Engelse woorden, veel Engels klinkende namen en veel anglicismen. Maar helaas weinig verbeelding. De oogst van dit jaar bevatte twee verhalen met een plot geplukt uit een zekere Hollywood-film, de nodige pseudo-middeleeuwse clichéfantasy (door Paul Harland zelf ooit gekenschetst als fantasy ‘uit de handige doordrukstrip’), de nodige vertellingen rond droombeelden zonder enig doel of ontwikkeling, science-fictionverhalen die niet misstaan zouden hebben in een nummer van Amazing Stories uit de jaren vijftig. En meer. (Maar niet veel meer.)

Hoewel ik na jaren jureren voor deze prijs inmiddels wel wat gewend ben, blijf ook ik een onverbeterlijke optimist. Ik hoop iedere keer weer op ambitie, fantasie, ideeënrijkdom. Op interessante personages en kleurrijke werelden. Op verhalen die me iets nieuws vertellen.

Naast optimist ben ik ook realist, en ik weet dat veel inzenders hun uiterste best doen. Ik weet dat deze wedstrijd vooral het beginnende talent aantrekt, en dat talent de tijd moet krijgen om zich te ontwikkelen. Schrijven is iets wat je moet blijven doen als je beter wilt worden. Ik heb dus ook geen probleem met verhalen waarin het schort aan ambachtelijkheid. Iedereen is beginner geweest. Proeflezen, workshops en kritiekgroepjes zijn hier de aangewezen methoden.

Maar mijn indruk is ook dat er vaak op het laatste moment nog ‘even wat geschreven’ wordt voor de wedstrijd. Alsof het een soort loterij is: stuur gewoon maar iets in, en wie weet kom je wel door de voorselectie. Maar heel weinigen lijken echt de tijd te nemen om een verhaal door te denken, te researchen, het even te laten liggen, te herschrijven wanneer nodig. Dat is jammer, want zo kom je nooit voorbij het stadium van hobbyisme.

Mijn grootste probleem dit jaar, echter, is met de vlakheid, de ideeënarmoede en de grijsheid. (Eigenlijk de witheid, maar daarover later.) De meeste inzenders lijken geen benul te hebben wat moderne science-fiction/fantasy is. Steeds weer worden dezelfde ideeën, veelal afkomstig uit film of televisieseries, even vluchtig afgestoft, hier en daar van een strik voorzien, en gepresenteerd als het beste wat het Nederlands taalgebied te bieden heeft. Ook dat is jammer, want ik denk dat het Nederlands taalgebied wel beter kan. Als Laaglandse schrijvers zich wat meer zouden oriënteren op wat er in de landen om ons heen aan verbeeldingsliteratuur verschijnt — niet om klakkeloos te kopiëren, maar om een beeld te krijgen wat modern genre kan zijn — dan zouden we een veel vruchtbaarder voedingsbodem hebben voor onze eigen literatuur. Ik heb het eerder gezegd: het is tegenwoordig makkelijker dan ooit om in aanraking te komen met buitenlands werk. Jezelf daar als schrijver voor afsluiten is onvergeeflijk.

Het verbreden van de horizon zou bovendien kunnen helpen om van die vlakke eenvormigheid af te komen. De overwegende indruk die me namelijk van deze wedstrijd bijblijft, is dat Nederlandstalige genreliteratuur gaat over blanke heteroseksuele gezinnetjes met nul tot twee kinderen. In de hele shortlist telde ik precies één niet-blank personage, dat bovendien maar een minimale bijrol speelde. Dit gebrek aan diversiteit vind ik bijzonder pijnlijk, en lijkt me een ander symptoom van de beperkte blik die veel inzenders op het genreveld hebben. Gelukkig zijn we inmiddels af van de situatie waarin alle hoofdrollen waren voorbehouden aan mannen, maar naar deze vijfentwintig verhalen te oordelen zijn we er nog lang niet. Zou science-fiction niet juist het genre moeten zijn dat verder kijkt dan de Nederlandse neus lang is? Biedt fantasy niet juist de vrijheid om dingen te tonen die we niet als vaststaand en alledaags aannemen? ‘Escapisme’ is een veelgehoorde beschuldiging aan het adres van de verbeeldingsliteratuur. Dat niet iedereen zich geroepen voelt zich te ontworstelen aan dat keurslijf kan ik aanvaarden. Dat iedereen zich niet geroepen voelt vind ik te treurig voor woorden.

Kortom, er schort (nog steeds) een hoop aan de breedte, het ambitieniveau en de professionaliteit van de Laaglandse verbeeldingsliteratuur. Desondanks ben ik aangenaam verrast dat de prijs dit jaar naar een echte science-fictionvertelling is gegaan. Hoewel niet volmaakt of erg origineel, was dit tenminste een poging om een sense-of-wonder terug te brengen in het Nederlandstalige genreverhaal.

Als we dat nou maar eens vaker zagen.