Synaptic Abyss

Unconnected thoughts, irregularly updated

Tag: pub

Scrive What You Know

There’s something about writers writing about writing. It’s ‘write what you know’ carried to its extreme. It can be excitingly meta, or it can be an excuse for the most boring kind of autobiographical navel-gazing the punters are willing to pay for.

It can also be, quite literally, magical. Magical writing is an old trope in fantasy stories (and games) of all kinds, and has been employed in many different ways. As ‘magic systems’ go, it’s intuitive and easy to understand.

foundryside-300

And I’m a fan. As readers of my 2009 Dutch novel De scrypturist know, I’m willing to write a book on the premise that applying the right symbols to the right surface can bend reality to the will of the author. What I haven’t seen done very often (which gave me the impetus for writing that novel) is casting the system as a form of writing code, or programming. Which I think is vaguely surprising, because as we all know, any sufficiently obsessed-over system of magic is indistinguishable from technology.

So when I read a blog post about a novel containing a system of writing symbols as commands to change reality, using lexicons as libraries of subroutines, employed by hacker-like ‘scrivers’ in the service of powerful polities, I was at first shocked. Then angry, then amused, and finally intrigued.

I knew Robert Jackson Bennett from his excellent City of Stairs, so I had no reason to doubt that Foundryside would be a good read. I was not disappointed, though I had to force myself at times to ignore the similarities to De scrypturist in order to keep enjoying it. Although my ‘scryptuurkamers’ are more like guilds than merchant houses, the laws they enforce are as rigid, and their politics influence the lives of all protagonists. Although Bennett’s Tevanne is, at least naming-wise, quite Italianate, while my Weltryck is vaguely based on an early 19th-century Dutch republic (with added mountains), they both retain a somewhat archaic, European feel. And although Foundryside’s scrappers are fewer in number and much less empowered than Revantijn’s ‘vrije scrypturisten’, their modus vivendi is basically the same.

I could point out even more striking parallels (scrived people, horseless carriages, hierophants, oh my!) but that would be spoiling the book for those who haven’t read it, or De scrypturist for that matter. What kept it interesting for me were the differences, especially those in the details of the systems used.

scrypturist-300At the risk of being too geeky for a moment: Tevanne’s ‘scriving’ technology seems to be based on a solidly imperative programming paradigm: tell the stuff what to do, in the way you want it done. Weltryck’s ‘scryptuur’ on the other hand is more of a declarative nature, independent of the stuff itself. Tevanne’s strings always influence the object they’re attached to, while Weltryck’s glyphs influence all of reality up to a few inches from the surface on which they’re rendered. (Watch your fingers.) Bennett mostly employs general AI as a single, monolithic entity, while in De scrypturist, the ‘scryptofacten’ are more akin to artificial life, evolved over many generations. Moreover, a concept like the `Schering`, the consensual reality existing between scryptuur glyphs, which has led some reviewers to calling the book ‘cyberpunk without cyber’ (a step up, I presume, from the earlier ‘steampunk without steam’), is absent in Foundryside, although it does seem to hint at a ‘deeper reality’, a machinery that runs the world, which we only get the occasional glimpse of.

But gizmos and trickery aside, a book is only as strong as its story. It’s probably more interesting to note that, thematically at least, Bennett’s concern in this book appears to be the political, the struggle of the oppressed against the hegemony, while De scrypturist perhaps can be said to emphasise the cultural: the implications of having a technology that eclipses another one; where in the end the hegemony and the oppressed both are caught up in things they can’t control.

The story, then, is a strong one. Bennett does use a lot more exposition than I think is necessary, really bringing the narrative to a halt sometimes — but then, he does have a lot to explain. And to be fair, I may have had a head start here. (Also, I know what it’s like to be in love with your magic system.)

But Foundryside spins a good yarn, and Bennett knows how to captivate his audience. Although I’m not sure yet if I personally like this one as much as City of Stairs, it is certainly worth anyone’s reading time.

De scrypturist and its sequel De vloedvormer, even though published by a respectable Dutch publishing house, never made it across the language barrier of course, as fantasy novels from the Netherlands rarely do — so I’m spared the embarrassment of having to promote my own book here. Unless you read Dutch, in which case: go for it!

Advertisements

Harland Awards

Het laatste verhaal is gelezen, het laatste cijfer toegekend. De laatste onlogische plotwending is omgedraaid, het laatste platte karakter uitgediept, de laatste spelfout verbeterd. Tijd om me te beraden op de volgende stap.

Dit jaar was ik opnieuw jurylid van wat tegenwoordig de Harland Award Verhalenwedstrijd heet.  Een frisse nieuwe naam voor een wedstrijd die al loopt sinds 1976. Maar hoewel er in die tijd veel veranderd is, blijven sommige dingen altijd hetzelfde. Al zo lang ik mij kan herinneren zijn zowel jury als organisatie een groep onverbeterlijke optimisten. Ieder jaar weer horen we hoe het niveau ieder jaar stijgt, hoeveel talent er is, hoe spannend de finale wordt, en hoe trots de winnaars mogen zijn. Voor de recentere edities wordt er dan zelfs een heus gala georganiseerd, met veel glitter, champagne en zelffelicitatie, als een soort Boekenbal voor genreliteratuur (het begrip ‘minderwaardigheidscomplex’ is hier steevast de olifant in de huiskamer), om die overtuiging kracht bij te zetten.

Compagnie_theater

Compagnietheater (M.M.Minderhoud)

Over de strategische waarde van zo’n gala valt te debatteren. Een radio-DJ als high-profile jurylid trekt allicht de belangstelling, al is het de vraag of die soort belangstelling zinvol is voor het Nederlandse genre. Door het evenement ook te koppelen aan de verkiezing van een beste Engelstalige boek wordt de boodschap bijvoorbeeld al weer vertroebeld. En dat de jonge Harland Award Romanprijs nog nooit aan iemand anders is uitgereikt dan aan Auke Hulst is nu nog amusant. Maar als er volgend jaar opnieuw geen Nederlandse fantasy of hard-SF bekroond wordt zal zich de vraag opdringen wat die Romanprijs eigenlijk wil zijn: een onderscheiding voor de beste Nederlandstalige genreroman, of een lonkende flirt met de literaire mainstream.

Het al vaker gevoerde debat over de vraag of ‘literaire’ auteurs wel science-fiction kunnen schrijven vind ik hier overigens niet interessant: dat hangt af van de auteur, en van het werk in kwestie.

Maar een crossover-boek maakt het genre niet plotseling respectabel, en het gevaar is dat het succes (hoe je dat ook wilt definiëren) van het gala het werkelijke probleem aan het oog onttrekt. De zelfvalidatie van een moment in de schijnwerpers, een leuk geldbedrag en een ‘persmoment’ doet al snel vergeten dat de grootste waarde van deze verhalenwedstrijd ligt in de ongezouten, gedegen en hopelijk opbouwende kritiek van een groep ervaren juryleden.

Want die kritiek is hard nodig.

Verhalen

Laat ik er geen doekjes om winden. Ik wil de mantel der liefde eens even aan de wilgen hangen en de fluwelen handschoen de lezer voor de voeten werpen. De meeste verhalen die ik dit jaar te lezen kreeg voor de Harland Awards vond ik saai, achterhaald, en middelmatig of ronduit slecht geschreven. Ik stond opnieuw versteld van het feit dat veertig of inmiddels zelfs vijftig jaar SF de genretuin van de Lage Landen volstrekt onberoerd lijken te hebben gelaten.

Want dit is Nederlandstalige verbeeldingsliteratuur, en dat betekent dus: veel Engelse woorden, veel Engels klinkende namen en veel anglicismen. Maar helaas weinig verbeelding. De oogst van dit jaar bevatte twee verhalen met een plot geplukt uit een zekere Hollywood-film, de nodige pseudo-middeleeuwse clichéfantasy (door Paul Harland zelf ooit gekenschetst als fantasy ‘uit de handige doordrukstrip’), de nodige vertellingen rond droombeelden zonder enig doel of ontwikkeling, science-fictionverhalen die niet misstaan zouden hebben in een nummer van Amazing Stories uit de jaren vijftig. En meer. (Maar niet veel meer.)

Hoewel ik na jaren jureren voor deze prijs inmiddels wel wat gewend ben, blijf ook ik een onverbeterlijke optimist. Ik hoop iedere keer weer op ambitie, fantasie, ideeënrijkdom. Op interessante personages en kleurrijke werelden. Op verhalen die me iets nieuws vertellen.

Naast optimist ben ik ook realist, en ik weet dat veel inzenders hun uiterste best doen. Ik weet dat deze wedstrijd vooral het beginnende talent aantrekt, en dat talent de tijd moet krijgen om zich te ontwikkelen. Schrijven is iets wat je moet blijven doen als je beter wilt worden. Ik heb dus ook geen probleem met verhalen waarin het schort aan ambachtelijkheid. Iedereen is beginner geweest. Proeflezen, workshops en kritiekgroepjes zijn hier de aangewezen methoden.

Maar mijn indruk is ook dat er vaak op het laatste moment nog ‘even wat geschreven’ wordt voor de wedstrijd. Alsof het een soort loterij is: stuur gewoon maar iets in, en wie weet kom je wel door de voorselectie. Maar heel weinigen lijken echt de tijd te nemen om een verhaal door te denken, te researchen, het even te laten liggen, te herschrijven wanneer nodig. Dat is jammer, want zo kom je nooit voorbij het stadium van hobbyisme.

Mijn grootste probleem dit jaar, echter, is met de vlakheid, de ideeënarmoede en de grijsheid. (Eigenlijk de witheid, maar daarover later.) De meeste inzenders lijken geen benul te hebben wat moderne science-fiction/fantasy is. Steeds weer worden dezelfde ideeën, veelal afkomstig uit film of televisieseries, even vluchtig afgestoft, hier en daar van een strik voorzien, en gepresenteerd als het beste wat het Nederlands taalgebied te bieden heeft. Ook dat is jammer, want ik denk dat het Nederlands taalgebied wel beter kan. Als Laaglandse schrijvers zich wat meer zouden oriënteren op wat er in de landen om ons heen aan verbeeldingsliteratuur verschijnt — niet om klakkeloos te kopiëren, maar om een beeld te krijgen wat modern genre kan zijn — dan zouden we een veel vruchtbaarder voedingsbodem hebben voor onze eigen literatuur. Ik heb het eerder gezegd: het is tegenwoordig makkelijker dan ooit om in aanraking te komen met buitenlands werk. Jezelf daar als schrijver voor afsluiten is onvergeeflijk.

Het verbreden van de horizon zou bovendien kunnen helpen om van die vlakke eenvormigheid af te komen. De overwegende indruk die me namelijk van deze wedstrijd bijblijft, is dat Nederlandstalige genreliteratuur gaat over blanke heteroseksuele gezinnetjes met nul tot twee kinderen. In de hele shortlist telde ik precies één niet-blank personage, dat bovendien maar een minimale bijrol speelde. Dit gebrek aan diversiteit vind ik bijzonder pijnlijk, en lijkt me een ander symptoom van de beperkte blik die veel inzenders op het genreveld hebben. Gelukkig zijn we inmiddels af van de situatie waarin alle hoofdrollen waren voorbehouden aan mannen, maar naar deze vijfentwintig verhalen te oordelen zijn we er nog lang niet. Zou science-fiction niet juist het genre moeten zijn dat verder kijkt dan de Nederlandse neus lang is? Biedt fantasy niet juist de vrijheid om dingen te tonen die we niet als vaststaand en alledaags aannemen? ‘Escapisme’ is een veelgehoorde beschuldiging aan het adres van de verbeeldingsliteratuur. Dat niet iedereen zich geroepen voelt zich te ontworstelen aan dat keurslijf kan ik aanvaarden. Dat iedereen zich niet geroepen voelt vind ik te treurig voor woorden.

Kortom, er schort (nog steeds) een hoop aan de breedte, het ambitieniveau en de professionaliteit van de Laaglandse verbeeldingsliteratuur. Desondanks ben ik aangenaam verrast dat de prijs dit jaar naar een echte science-fictionvertelling is gegaan. Hoewel niet volmaakt of erg origineel, was dit tenminste een poging om een sense-of-wonder terug te brengen in het Nederlandstalige genreverhaal.

Als we dat nou maar eens vaker zagen.

More & Stranger

Now that there are apparently canals on Mars again, now that Pluto turns out to have a blue sky, now that crowdfunding is underway to shoot a titanium bullet with a digital payload at the moon, isn’t it time for fiction to think beyond these horizons?

Actually, fiction has done so since people put reed pens to clay tablets, of course. But there are two things fiction can’t do without: 1) a reader and 2) a writer. Fiction lives where these two meet. And when they meet, strange and unquantifiable things happen.

Strange Horizons is that interface. It’s a webzine of speculative fiction and poetry, reviews and articles, updated weekly. They provide podcasts of their stories, and they do occasional roundtables about a book, a film, or a current issue. And best of all, it’s free.

The first time I read a Strange Horizons story, I was amazed at the quality of the writing. I had never heard of the author, but the story was just damn good. I knew Strange Horizons had published authors that went on to become well-known names in the speculative field, but this was the kind of writing you would expect to find in one of the big professional print magazines. Indeed, stories from SH have won or been nominated for several of the big speculative fiction awards: Nebula, Tiptree, Hugo, World Fantasy, etc. Moreover, I found that the variety in the stories was astounding, especially the way in which tradionally under-represented perspectives were given a voice.

So how did they do it? I wondered. How could a free webzine attract this kind of talent? As a writer myself, of course my eye was immediately drawn to the Guidelines link in the menu bar, where I found out that they did actually pay professional rates. I decided to submit one of my own stories, Utrechtenaar, which subsequently appeared in two installments in June 2015.

So how do they do it? Everyone loves “free” content, but without commercial backing, economic reality catches up fast with even the most zealous of free publishers. And that, dear reader, is where you come in.

Every year, Strange Horizons has a fund drive to finance the following year. Almost all of their financial resources are devoted to compensating writers for their work, so everyone who donates can be sure their money goes to the right place. For 2016, they aim to raise $18,000, and everyone who donates Can! Win! Prizes! Many, many books, ARCs, and signed first editions of brilliant works by great names and small. The list of prizes is so long it’s scary, and donating just $10 will get you an eBook of Strange Horizons: The First Fifteen Years.

So if you like speculative fiction and have a few quid to spare, hop over to the fund drive page and drop something in the jar. Pluto will thank you.